rauschtet
ruisen, bruisen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
ruisen, bruisen
steriel, kiemvrij, onvruchtbaar
gedifferentieerd, verfijnd, genuanceerd
dakdekker, leidekker, pannendekker
opvoeder, pedagoog
( be ) houden, bewaren
groot, groots, voornaam, aanzienlijk, bijzonder
in het wilde weg, blindelings
zich mengen in, zich bemoeien met
ongehoord, ongelofelijk ( veel )