füllend
vullen, vol maken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
vullen, vol maken
verstoken
jachtig, koortsachtig, opgewonden, druk
doof
draaien, op de draaibank bewerken
blazen, ademen
schuimblusser, schuimblustoestel
rijpelijk, zorgvuldig, rijp
hoeder, bewaker, beschermer
met weemoed terugdenken aan