bewirtschaften
exploiteren, beheren, runnen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
exploiteren, beheren, runnen
( aan ) gezicht, gelaat ( suitdrukking )
( ver ) rijdbaar, verplaatsbaar
twistziek
( er ) uit halen
inactiviteit, passiviteit
geëxalteerd
luwen, afflauwen, gaan liggen
gelijkwaardig, opgewassen tegen
aangenaam, verheugend, prettig