kariösen
carieus
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
carieus
versleten, afgedragen
spreken, praten
cholerisch, choleriek, opvliegend
betasten, aanraken
achterman, volgende op de ranglijst
vervliegen, de geur verliezen
aangenaam, welkom, gelegen
afdwingen, afpersen
grootverdiener