abführen
zich ( af ) splitsen, afbuigen, aftakken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
zich ( af ) splitsen, afbuigen, aftakken
pijn ( boom )
jokken, liegen, oplichten, zwendelen
barricaderen
voor de geest halen, voorstellen
aftroggelen
roerloos, onbeweeglijk
bloeddorstig
weerspannig, zich verzettend
terugtocht