Lehrling
leerjongen, leerling
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
leerjongen, leerling
verpesten, bederven
reflecteren
hausse, koersstijging
flexibel
ongenietbaar
hemels, uit de hemel
passen en meten
vooruitlopen, vooroplopen, vooruitgaan, vooropgaan
vreten, ( gulzig ) eten